U bent hier

De eerste, unitaire grondwet

De door het Voorlopig Bewind aangestelde commissie had een project voorbereid, waarover in het Nationaal Congres vanaf 25 november 1830 werd gedebatteerd. Op 7 februari 1831 was het Nationaal Congres klaar met de bespreking en keurde het de Belgische grondwet goed.

De Belgische grondwet was een evenwichtige synthese van de Franse grondwetten van 1791, 1814 en 1830, van de Nederlandse grondwet van 1814 en van het Engels staatsrecht. Het werd echter geen amalgaam, maar juist een origineel werkstuk. De voornaamste elementen zijn nog steeds van kracht.

België werd een parlementaire monarchie. Het hoofdprincipe van de grondwet was de scheiding der machten. Deze drie machten waren: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht.

De wetgevende macht werd toegekend aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat, die de wetten goedkeurden en aan de Koning, die ze moest afkondigen en bekrachtigen. De volksvertegenwoordigers en senatoren werden gekozen via een cijnskiesstelsel. Dit wil zeggen, dat men een zeker bedrag aan belastingen moest betalen om te mogen kiezen. Alhoewel zij dus gekozen werden door een zeer beperkt aantal kiezers, werden zij beschouwd als de verpersoonlijking van de wil van het volk.

De wetgever werd dan ook het hoogste machtsorgaan in België. Om verkiesbaar te zijn voor de Senaat moest men een nog veel groter bedrag betalen en minstens 40 jaar oud zijn. Zij werd opgericht om eventuele onbezonnen beslissingen van de Kamer te kunnen tegenhouden.

De uitvoerende macht werd gegeven aan de Koning en zijn ministers. De verantwoordelijkheid voor het regeringsbeleid kwam echter bij de ministers te liggen. Er werd beslist, dat geen enkele door de koning ondertekende akte rechtsgeldig was zonder dat zij door een minister was ondertekend. De ministers van hun kant moesten verantwoording afleggen tegenover het parlement (Kamer en Senaat).

De uitoefening van de rechterlijke macht werd toegekend aan de rechtbanken. Er werd vastgelegd, dat de zittingen in principe openbaar moesten zijn. De rechters konden alleen uit hun ambt worden ontzet door een vonnis. Voorts werd er een jury ingesteld voor misdaden, pers- en politieke misdrijven.

Essentieel waren ook de rechten en vrijheden, waarvan elke Belgische onderdaan kon genieten. Alle Belgen waren gelijk voor de wet. De burger kon op geen enkele manier van zijn vrijheid worden beroofd, tenzij op bevel van de rechter. Het eigendomsrecht en het briefgeheim werden onschendbaar. Het werd éénieder vrij op elk gebied zijn mening te uiten en de religie te belijden, die hij wenste. De vrijheid van onderwijs en drukpers werden gegarandeerd. Ten slotte werd in de grondwet ingeschreven, dat iedereen vrij mocht vergaderen en een vereniging oprichten.

De grondwet was zeer centralistisch, dit wil zeggen, dat de grootste macht werd toegekend aan de centrale staat. Men hoopte hiermee het particularisme tegen te gaan en de eenheid van het land te bevorderen.

De voornaamste krachtlijnen gelden tegenwoordig nog steeds. De eerste twee grote wijzigingen deden zich voor op het vlak van het kiesrecht. In 1893 werd het algemeen meervoudig stemrecht en in 1920 het algemeen enkelvoudig stemrecht ingevoerd. Via de grondwetswijzigingen van 1970, 1980, 1988-89, en 1993 werd het unitaire België geleidelijk tot een federale Staat omgevormd. Hiermee gepaard gaande werd de Kamer de eerste wetgevende instantie ten nadele van de Senaat, die een reflectiekamer werd. Sinds de Tweede Wereldoorlog werden sommige bevoegdheden overgedragen aan de Europese Unie of de Verenigde Naties.