De Opstand

De wortels van de Belgische Revolutie lagen niet alleen in de politieke eisen van de burgerij, van wie de welvaart met de dag toenam en de economische politiek van Willem I steunde. Daarentegen ging het de lagere klassen minder voor de wind. Vele arbeiders waren werkloos. De Belgische Revolutie was dus evenzeer een sociale opstand, die, toen hij nog moeilijk was in te tomen, door de burgerij werd gekanaliseerd om haar doelstellingen te realiseren.

In 1830 mislukte de oogst en de bevoorrading kwam in het gedrang. Toen in juli 1830 in Parijs een revolutie uitbrak sloeg de onrust over op de lagere klassen in België. Na de opvoering van een opera 'De Stomme van Portici' op 25 augustus 1830 onstonden er proletarische onlusten in Brussel. De Brusselse burgerij wilde zich hiertegen verdedigen en richtte een burgerwacht op. De leiders van die militie vroegen op 1 september aan prins Willem van Oranje, zoon en opvolger van Willem I, die in Vilvoorde was gelegerd, om bij zijn vader te bemiddelen over een administratieve scheiding tussen Noord en Zuid. Willem I voelde zich gechanteerd en weigerde toe te geven.

De onlusten namen uitbreiding en van overal in België stroomden vrijwilligers toe om de opstand te steunen. De burgerwacht verloor haar controle op de gebeurtenissen. Daarom bezette het Nederlandse leger, onder leiding van Willems tweede zoon prins Frederik, op 23 september Brussel. Dit veroorzaakte een verzoening tussen alle strekkingen en alle vrijwilligers keerden zich gezamelijk tegen de Nederlandse troepen. De leiding van de burgerwacht en enkele revolutionairen vormden een comité, dat erin slaagde de acties van de vrijwilligers te coördineren. In de nacht van 26 op 27 september 1830 blies het Nederlandse leger de aftocht. Het voorlopig comité vormde zich om tot Voorlopig Bewind, dat op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uitriep.